Antisociale persoonlijkheidsstoornis

Antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASP) is een stoornis dat zich kenmerkt door een patroon van veronachtzaming of schending van de rechten van een ander door impulsief en antisociaal gedrag. Je kunt prikkelbaar, agressief of onverschillig overkomen op een ander. Je vindt het moeilijk om regels na te leven en rekening te houden met andere mensen. Er is vaak sprake van een gebrekkig geweten en van een geschiedenis van crimineel, agressief , impulsief gedrag en juridische problemen. Voor jouw vrienden, partner of familie kan dat zeer belastend zijn.

Kenmerkend gedrag 

Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn vaak heel charmant en innemend, maar ze kunnen door impulsiviteit en gebrek aan inlevingsvermogen snel in conflicten terechtkomen. Ze zijn niet bang aangelegd en hebben moeite de consequenties van hun handelingen in te zien. Berouw, empathie of schuldgevoel komt bij AsPS-lijders niet of slechts in verminderde mate voor omdat zij niet of in verminderde mate kunnen empathiseren met anderen; dat wil zeggen dat het inlevingsvermogen en het vermogen om zich in een ander te verplaatsen verminderd aanwezig is of geheel ontbreekt. Het uit zich vooral door versterkt egocentrisch gedrag, waarbij het eigenbelang vaak of altijd boven dat van anderen prevaleert. Personen met deze persoonlijkheidsstoornis hebben meestal geen problemen met het uitbuiten van anderen voor hun eigen voordeel of plezier en kunnen manipulatief of bedrieglijk zijn tegenover anderen. Ze bereiken dit door middel van humor, oppervlakkige charme of intimidatie en geweld. AsPS-lijders gedragen zich vaak arrogant, denken negatief over anderen en hebben een gebrek aan berouw voor hun schadelijke handelingen. Typerend voor iemand met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, is bijvoorbeeld het aanwenden van “sociaal wenselijk gedrag” om uit eigenbelang een doel te bereiken, ook al gaat dat ten koste van de ander. Hiermee onderscheidt de persoonlijkheidsstoornis zich duidelijk van andere stoornissen die de emoties en de empathische vermogens negatief beïnvloeden. Bij AsPS is het antisociale gedrag echter geen bewuste keuze, hoewel dit vaak wel zo overkomt op de omgeving 

Het komt ook voor dat een AsPS-patiënt zich aardig en sociaalvoelend voordoet. Dit noemt men “aangeleerd sociaal wenselijk gedrag”; dit is echter slechts cognitief, verstandelijk en rationeel aanwezig: het komt niet voort uit intrinsieke emoties. Toch kan het sociaal wenselijke gedrag ook aangewend worden op manieren die ertoe leiden dat de patiënt dermate socialiseert, dat hoewel van genezing geen sprake is, het aangeleerde gedrag als copingmechanisme de patiënt het gedrag laat vertonen dat zeer nauw overeenkomt met dat van een gezond persoon, ook in het voordeel van de omgeving. Het is een misverstand dat iedereen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis ongeneeslijk ziek is, als dat wordt uitgelegd als niet voor verbetering vatbaar.

Een heel specifiek verschijnsel bij AsPS is in bepaalde gevallen het ziekelijk liegen. Een patiënt kan een uitgebreid web van leugens vertellen ten behoeve van zijn eigen voordeel of plezier. Hij kan ook iemand financieel voordeel of romantiek in het vooruitzicht stellen, terwijl het verantwoordelijkheidsgevoel om aan de geschapen verwachtingen te voldoen volledig ontbreekt. Het komt voor dat het liegen zodanig een tweede natuur geworden is, dat de personen in kwestie liegen terwijl zij er geen concreet plan of doel voor hebben. Opvallend is voorts dat zij zich enerzijds in de slachtofferrol kunnen opstellen en anderzijds zich voor kunnen doen als iemand met succes.

 

Korte antisociale-persoonlijkheidsstoornis beschrijving

Hoewel de meeste mensen zich over het algemeen aan de maatschappelijke regels, normen en aan de wet houden, is dit bij mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis meestal niet het geval. Mensen met deze stoornis hebben veel moeite met stabiliteit in hun denken, voelen en gedrag. Hierdoor zijn ze vaak erg impulsief, prikkelbaar of agressief en op zoek naar een snelle behoeftebevrediging. Ook hebben ze een beperkt ontwikkeld geweten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mensen met deze stoornis vaker dan gemiddeld verslaafd zijn aan alcohol of drugs en dat ze door hun levensstijl vaker lichamelijk aandoeningen hebben. Denk maar eens aan lichamelijke verwondingen door gewelddadig gedrag bijvoorbeeld of seksueel overdraagbare aandoeningen. In de vroege volwassenheid is er zelfs een grotere kans op overlijden. Uit onderzoek blijkt dit vooral samen te hangen met middelenmisbruik, een relatief hoog percentage zelfmoorden en een grotere betrokkenheid bij misdrijven met een dodelijke afloop. De constante onverantwoordelijkheid, het roekeloze gedrag en het vaak ontbreken van spijtgevoelens brengt ook veel problemen voor hun omgeving en de maatschappij met zich mee. Mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis gebruiken vaker dan gemiddeld geweld tegen mensen uit hun directe omgeving, zoals hun partner of kinderen. Maar het geweld kan zich ook tegen vreemden richten. Een gelijkwaardige relatie aangaan met anderen lukt niet. Anderen worden eerder gezien als iets wat gebruikt of uitgebuit kan worden voor eigen gewin. Het is van mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis bekend dat ze relatief vaak hun schoolopleiding niet afmaken of dat ze stoppen met hun werk. Voor de samenleving betekent dit meer werkloosheid en illegale inkomsten. De meest ernstige gevallen brengen een groot deel van hun leven door in een gesloten setting, zoals de gevangenis of een tbs-kliniek.

” I’ll tell you about my demons while you tell me about yours. Maybe they’ll get along well enough to fall in love and leave us alone”.

 

 

Hoe ontstaat een antisociale-persoonlijkheidsstoornis?
‚˜

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat 0,2 % tot 3% van de mensen uit de algemene bevolking deze stoornis heeft. De stoornis lijkt vaker voor te komen bij mannen dan bij vrouwen. Er is al behoorlijk wat onderzoek gedaan naar het ontstaan van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis. Toch is het niet precies bekend hoe een antisociale-persoonlijkheidsstoornis zich ontwikkelt. Het gaat waarschijnlijk om een belangrijke mix van een aantal factoren die op elkaar inwerken; zoals erfelijke, biologische, psychologische en omgevingsinvloeden.
Aanvankelijk wordt iedereen geboren in een ander lichaam en met een ander temperament (je aangeboren sterke kanten en kwetsbaarheden). In de wetenschap zijn aanwijzingen gevonden dat de aanleg voor een antisociale-persoonlijkheidsstoornis gedeeltelijk erfelijkheid is en dat bepaalde hersenafwijkingen hiervoor mede verantwoordelijk kunnen zijn. Hierbij gaat het om een verstoring in delen van de hersenen die ons agressieve gedrag regelen. In de wetenschappelijke literatuur zijn er ook aanwijzingen gevonden dat een aangeboren lagere intelligentie en impulsiviteit het risico op de ontwikkeling van deze stoornis verhogen. Ook weten we dat een relatief groot aantal mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis (vaker dan in de normale bevolking) ADHD hebben. Mensen die later een antisociale persoonlijkheid ontwikkelen, waren als peuter vaak al langdurig lastig, boos en opstandig. Veel van hen hadden als kind dan ook een gedragsstoornis. Kinderen met een gedragsstoornis verzetten zich aanhoudend tegen de leiding van ouders of leerkrachten en weigeren te doen wat wordt gevraagd. Of ze worden driftig als ze worden gecorrigeerd of wanneer hen iets wordt verboden.
Naast aanleg, kan ook de omgeving van invloed zijn op de verdere ontwikkeling van antisociaal gedrag. Zo blijkt uit onderzoek dat mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis vaker dan anderen leefden in armoede of in een zogenaamde ‘slechte’ buurt. Ook kan de omgang met antisociale leeftijdsgenoten in de pubertijd het risico op het ontstaan van deze stoornis verhogen. Verder weten we dat veel kinderen die later een antisociale persoonlijkheid ontwikkelen, opgroeiden in een gezin waarbinnen hun opvoeders weinig duidelijke regels stelden, vaak inconsequent en hard straften en weinig warmte gaven. Aan de andere kant moet ook worden gesteld dat het opvoeden van kinderen met een aanleg voor gedragsstoornissen erg moeilijk en energierovend is. Zo zal het bij ouders van deze kinderen eerder kunnen voorkomen dat ze niet opgewassen zijn tegen het dwingende en opstandige gedrag van hun kind dan bij kinderen die deze aanleg niet hebben. Hierdoor zullen regels eerder verslappen en zal een kind eerder ‘misbruik’ kunnen maken van de machteloosheid in de opvoeding die veel ouders van deze kinderen voelen. Door deze wisselwerking kunnen opvoeders uiteindelijk iedere grip op het kind kwijtraken.

 

Oorzaken 

De oorzaken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn in drie groepen te verdelen. Doorgaans is een combinatie van deze factoren aanwezig bij personen met een antsocialepersoonlijkheidsstoornis:

1. Emotionele verwaarlozing
Door een opvoeding waarin geborgenheid en genegenheid, met name in de baby- en peuterfase, onvoldoende aanwezig is, kan er een persoonlijkheidsstructuur ontstaan waarin de socialisatie onvoldoende is en het ik-gevoel (egocentrisme) op de voorgrond komt te staan. Deze verstoring en onevenwichtigheid kan later door antisociaal gedrag zichtbaar worden. Vrijwel altijd is op weg naar de volwassenheid een gedragsstoornis opgetreden, met name antisociale gedragsstoornis. In de vroege jeugd kan als gevolg van emotionele verwaarlozing een reactieve hechtingsstoornis zijn ontstaan.
2. Organische oorzaken
Hersenontsteking, hersenvliesontsteking en andere ernstige hersenbeschadigingen door ongelukken, zuurstofgebrek of vergiftigingen door een verslavingsziekte, kunnen tot een zodanige karakterverandering leiden dat een verpsychopathiseerde persoonlijkheid ontstaat.
3. Erfelijkheid
In bepaalde situaties kan gedacht worden dat psychopathie mede een erfelijke oorzaak heeft. Welke beschadiging of afwijking in de structuur van hersencellen hierbij een rol speelt, is onvoldoende bekend. Hoge testosteron-gehaltes tijdens de zwangerschap speelt mogelijk ook een rol.

Een persoon met een antisociale persoonlijkheidsstoornis is meestal opgegroeid in een moeilijk, instabiel gezin in combinatie met een gebrek aan ouderlijke zorg en middelenmisbruik. Als een gevolg van deze problemen waren AsPS-lijders vaak al op jonge leeftijd bekend bij sociale diensten. 

 

Hoe wordt een antisociale-persoonlijkheidsstoornis vastgesteld?

Bij jongeren
Het hoort bij de ontwikkeling bij de pubertijd om je wat opstandig te gedragen en je niet aan alle regels te houden. Hierdoor leert een jongere ook om zichzelf los te maken van zijn verzorgers en een eigen identiteit te ontwikkelen. Dit gedrag is echter meestal van tijdelijke aard. Dit is de belangrijkste reden waarom de antisociale-persoonlijkheidstoornis niet bij jongeren onder de 18 mag worden vastgesteld. Toch kan dit (soms tijdelijke) gedrag zo heftig zijn, dat het een storend effect heeft op de ontwikkeling van de jongere en op de sociale omgeving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan aanhoudend spijbelen, heftige ruzies, woede-uitbarstingen thuis of zelfs het plegen van strafbare feiten.
In deze gevallen kan bij jongeren tot 18 jaar een gedragsstoornis als CD (conduct disorder) of ODD (oppositional defiant disorder) worden vastgesteld. Er zijn een aantal goede vragenlijsten in omloop, waarmee problemen in het gedrag van de jongere kunnen worden uitgevraagd. De uiteindelijke diagnose van een gedragsstoornis wordt echter vastgesteld volgens de richtlijnen die binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz) gelden. Op dit moment wordt binnen de ggz voor de diagnose van gedragsstoornissen gebruik gemaakt van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, in het kort de DSM-5. Dit is internationaal gezien het meest gebruikte classificatiesysteem voor het vaststellen van gedragsstoornissen.

Bij volwassenen
Volwassenen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis zullen zich niet snel zelf aanmelden bij een zorginstelling, al kunnen mensen op latere leeftijd toch lijden onder hun problematiek. Denk bijvoorbeeld aan relatieproblemen of afhankelijkheid van alcohol of drugs. Naast het voeren van een of meerdere gesprekken met een intaker, worden ook een interview en verschillende vragenlijsten afgenomen. Op deze manier kan de intaker een zo compleet mogelijk beeld krijgen van de situatie. Dat wil zeggen van de klachten, problemen en achtergrond. Bij iemand met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis valt in gesprekken meestal al snel het gebrek aan inlevingsvermogen op. Verder zijn vooral de impulsiviteit en het regelovertredende en grensoverschrijdende gedrag kenmerkend voor iemand met deze stoornis.
De uiteindelijke diagnose van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis wordt vastgesteld volgens de richtlijnen die binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz) gelden. Op dit moment wordt binnen de ggz voor de diagnose van persoonlijkheidsstoornissen, net als bij eerder genoemde gedragsstoornissen, gebruik gemaakt van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, in het kort de DSM-5. Dit is internationaal gezien het meest gebruikte classificatiesysteem voor het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen. Binnen de gezondheidszorg wordt  gebruik gemaakt van een interview dat de criteria van de DSM uitvraagt. Dit is de meest betrouwbare manier om persoonlijkheidsstoornissen vast te stellen. Wanneer een antisociale-persoonlijkheidsstoornis wordt vastgesteld, past de problematiek in onderstaande omschrijving van de DSM-5.

 

 

Officiële criteria antisociale-persoonlijkheidsstoornis (DSM-IV-TR)

A. Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen, vanaf het vijftiende jaar aanwezig en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit drie of meer van de volgende kenmerken:

 

  1. Niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn.
  2. Oneerlijkheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bezwendelen ten behoeve van eigen voordeel of plezier.
  3. Impulsiviteit of onvermogen ‘vooruit te plannen’.
  4. Prikkelbaarheid en agressiviteit, zoals blijkt uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging.
  5. Roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen.
  6. Constante onverantwoordelijkheid, zoals blijkt uit het herhaaldelijk niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen.
  7. Ontbreken van spijtgevoelens, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst, mishandeld of bestolen te hebben.

B. De leeftijd is ten minste achttien jaar.
C. Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend vóór het vijftiende jaar.D. Het antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie of manische episodes.

 

ICD-10 

De WHO’s International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems, tenth edition (ICD-10) beschrijft de dissociale persoonlijkheidsstoornis. Voor een diagnose moet aan ten minste drie van de onderstaande criteria zijn voldaan:

  • Een harteloze ongevoeligheid voor de gevoelens van anderen
  • Onverantwoordelijkheid en een langdurige onverschilligheid voor sociale normen, waarden en regels
  • Een onvermogen tot het aangaan van langdurige relaties, hoewel er geen moeite is met het aangaan van relaties
  • Lage frustratie-tolerantie en een lage drempel voor agressie
  • Onvermogen tot het ervaren van schuld of om te leren uit ervaring, bijvoorbeeld straf
  • Bereidheid om anderen de schuld te geven of het rationaliseren van het schadelijke gedrag

De aandoening beschrijft de ICD-versie van de antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar de aandoening is niet hetzelfde als de antisociale gedragsstoornis.

 

Comorbiditeit 

Een antisociale persoonlijkheidsstoornis gaat vaak samen met een of meer van de volgende psychische aandoeningen: 

  • Angststoornissen
  • Klinische depressie
  • Stoornis in de impulsbeheersing
  • Periodieke explosieve stoornis
  • Middelenmisbruik
  • Reactieve hechtingsstoornis
  • Somatisatiestoornis
  • ADHD en ADD
  • Borderline persoonlijkheidsstoornis
  • Theatrale persoonlijkheidsstoornis
  • Narcistische persoonlijkheidsstoornis
  • Sadistische persoonlijkheidsstoornis

If our eyes saw souls instead of bodies how very different our ideals of beauty would be.”

 

Behandeling van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis

Volgens de Multidisciplinarie Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen, kunnen persoonlijkheidsstoornissen in het algemeen het best behandeld worden met psychotherapie, psychosociale interventies en een eventuele behandeling met medicijnen. Op dit moment zijn er echter geen aanwijzingen dat dit ook voor de antisociale-persoonlijkheidsstoornis geldt. Er is nog te weinig goed onderzoek gedaan om met zekerheid te kunnen zeggen of de antisociale-persoonlijkheidsstoornis op volwassen leeftijd effectief kan worden behandeld. Overigens kan ook niet worden gezegd dat de stoornis níet behandelbaar is. Dit zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen.
Momenteel is er in de wetenschap dus nog geen antwoord gevonden op het genezen van deze stoornis. Wel zijn er mogelijkheden die enkele symptomen van de stoornis bestrijden, zoals impulsiviteit en agressie. Ook de behandeling van een bijkomende verslavingsstoornis kan hieraan bijdragen. Omdat de mogelijkheden tot behandeling vooralsnog beperkt zijn, is het voorkómen van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis van groot belang. Het voorkómen en behandelen van gedragsstoornissen bij kinderen en jongeren is een goede manier om de kans van het ontwikkelen van een antisociale persoonlijkheidsstoornis op latere leeftijd te verkleinen.

Wel komt het voor dat mensen met een andere persoonlijkheidsstoornis (de ongespecificeerde-persoonlijkheidsstoornis bijvoorbeeld) trekken van de antisociale persoonlijkheid vertonen, zoals kilheid, constante prikkelbaarheid of gebrek aan inlevingsvermogen. Vaak is de reden van dit gedrag wel anders dan bij mensen met een antisociale persoonlijkheid. De behandeling van deze trekken en de oorzaak hiervan wordt dan meegenomen in therapie. Afhankelijk van de aard van de persoonlijkheidsstoornis en de ernst van de problemen, wordt dan een keuze gemaakt uit een van de volgende zorgprogramma’s:

  • Schematherapie
  • Bij trekken op indicatie ook mogelijk: Psychodynamische psychotherapie

 

Behandeling van gedragsstoornissen

Bij de psychotherapeutische aanpak worden meestal de ouders en het kind in kwestie betrokken. Soms wordt een therapie voorgesteld waaraan het hele gezin mee moet doen. De ouders krijgen vaak begeleiding. Deze bestaat in de meeste gevallen uit psycho-educatie en oudertraining. De psycho-educatie houdt in dat ouders inzicht krijgen in de gedragsstoornissen en dat de mogelijkheden om daar wat aan te doen worden doorgenomen. Hierdoor kunnen de ouders het gedrag van hun kind beter begrijpen en zich daarover mogelijk minder schuldig voelen. Tegelijkertijd kan een goede vorm van psycho-educatie motiverend werken om het eigen opvoedingsgedrag ten opzicht van het kind te veranderen of bij te stellen. In het verlengde van de psycho-educatie ligt de oudertraining. Ouders leren het pro-sociale gedrag van hun kind te bevorderen en het antisociale gedrag te negeren of te bestraffen. Ook leren zij het dwingende gedrag van hun kind niet te beantwoorden en te doorbreken, terwijl het contact met het kind wel wordt gehandhaafd. Het gaat erom duidelijke grenzen te stellen, zonder het kind af te wijzen.
De jongere wordt via cognitieve gedragstherapie getraind in het overwegen van verschillende gedragswijzen in bepaalde situaties. Maar ook in het beter interpreteren en verwerken van wat er om hen heen gebeurt. Ook leren zij zich verdiepen in de manier waarop anderen de signalen in hun omgeving zouden kunnen opvatten.
De laatste tijd worden vooral methoden voorgesteld waarbij op het kind gerichte gedragstherapeutische methoden en een gezins- of systeemtherapeutische aanpak worden gecombineerd. Daarbij gaat het dan bijvoorbeeld om functionele gezinstherapie (FFT) en multisysteemtherapie (MST).

Voor het behandelen van gedragsstoornissen en voorkómen van toekomstig problematisch gedrag (of het ontwikkelen van de antisociale persoonlijkheidsstoornis) bij kinderen en jongeren worden binnen de gezondheidszorg verschillende behandelrichtingen aangeboden, waarbij de oplossing van het probleemgedrag van de jongeren te vinden is in het betrekken van het systeem (de leefomgeving) van de jongere. Kies daarom een gezondheidsinstelling die bij jou, je gezin en het kind past. Daar de gemeente tegenwoordig verantwoordelijk is voor de jeugdzorg dien je eerst in contact te treden met de gemeente. 

 

Behandeling met MST of FFT

Functional Family Therapy (FFT): Bij Functional Family Therapy (FFT) wordt vooral gewerkt aan het verbeteren van de relatie tussen de gezinsleden. De behandeling richt zich vooral op gezinnen waarvan een thuiswonend kind (12 tot 23 jaar) in aanraking dreigt te komen of waarbij ander zeer problematisch gedrag voorkomt. Door een positieve en persoonlijke benadering van alle gezinsleden, zoekt de therapeut, samen met de gezinsleden, naar een manier waarop uiteindelijk iedereen verantwoordelijk kan worden voor de ontstane situatie. Daarna wordt bekeken wat de gezinsleden kunnen bijdragen aan de oplossing van problemen. De contacten met het gezin vinden wekelijks plaats op de polikliniek en de behandeling duurt vier tot zes maanden. Meer informatie over FFT, of Multi Systeem Therapy (MST): Het centrale uitgangspunt van Multi Systeem Therapy (MST) is dat het antisociale gedrag van de jongeren meerdere oorzaken tegelijk heeft: kenmerken van de jongere zelf, het gezin, de vriendengroep, de school en de buurt. De behandeling is bestemd voor jongeren in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die vanwege hun ernstige grensoverschrijdende gedrag (dreigen) geplaatst (te) worden in een justitiële inrichting. De aanpak van het gedrag bestaat uit het verminderen van de risicofactoren en het versterken van de beschermende factoren in alle levensgebieden waarin de jongere verkeert. MST is een intensieve vorm van behandeling waarbij de behandelaar het gezin meerdere malen per week in de thuissituatie bezoekt en 24 uur per dag bereikbaar is. De behandeling duurt maximaal 5 maanden.

 

Prognose 

Patiënten die lijden aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis hebben een hogere kans op vroegtijdig overlijden als gevolg van moord of zelfmoord, roekeloos gedrag of seksueel overdraagbare aandoeningen. Vaak neemt de heftigheid van de stoornis toe in de puberteit en vroege volwassenheid en weer af rond of voor het veertigste levensjaar. In ernstige gevallen verblijft een AsPS-lijder zijn of haar hele leven in een beveiligde instelling of een tbs-kliniek.

 

Criminaliteit 

Crimineel gedrag is niet noodzakelijk voor de diagnose, maar lijders aan AsPS komen vaker dan gemiddeld in aanraking met politie en justitie door hun veronachtzaming van de normen en waarden in de maatschappij en de rechten van anderen. Een gebrekkig of verstoord inlevingsvermogen is hiervan een belangrijke oorzaak. Het is echter onjuist om alle criminelen af te doen als AsPS-lijders: veel criminelen hebben geen AsPS en omgekeerd zijn veel AsPS-lijders niet crimineel.

Sommigen zijn van mening dat mensen die buitengewoon goed presteren in de maatschappij kenmerken van AsPS vertonen, omdat ze minder moeite zouden hebben met het nemen van harde beslissingen: oppervlakkige charmes worden dan bijvoorbeeld gezien als inspirerende kwaliteiten, gevoelsarmoede wordt zakelijkheid, impulsiviteit wordt “knopen durven doorhakken” en weerbarstigheid wordt assertiviteit en doorzettingsvermogen.

Opmerkelijk is vaak ook hun perfecte inschatting van de situatie en hun slimme kijk op dingen. 

 

Gradaties 

Net als andere persoonlijkheidsstoornissen valt de antisociale persoonlijkheidsstoornis in een spectrum, wat betekent dat de ernst per AsPS-lijder kan verschillen. Het gedrag kan variëren van incidenteel slecht gedrag tot het herhaaldelijk overtreden van de wet en zelfs tot het plegen van zeer ernstige misdrijven zoals moord. 

 

Vooroordelen 

Vooroordelen over de antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn dat AsPS-lijders geen emoties en gevoelens hebben, altijd crimineel of gewelddadig gedrag vertonen, niet in staat zijn tot verbetering en dat de oorzaak altijd ligt in verwaarlozing of mishandeling in de jeugd. 

 

 

Sociopathie 

Iemand met een antisociale persoonlijkheidsstoornis lijdt aan sociopathie, een verouderde term die van een nieuwe betekenis werd voorzien door de psychiater Robert Hare. De aandoening is volgens Hare niet hetzelfde als de psychopathische persoonlijkheidsstoornis. Wel worden AsPS-lijders soms ook secundaire psychopaten, pseudopsychopaten en factor 2-psychopaten genoemd. 

Sociopathie of AsPS ontstaat als gevolg van een genetische aanleg voor psychopathie die pas tot uiting kwam als gevolg van omstandigheden. Een sociopaat had in feite een normaal en gezond persoon kunnen zijn, maar de emotionele en persoonlijkheidsontwikkeling werd verstoord als gevolg van externe factoren waardoor een genetische aanleg tot uiting kwam in de vorm van pseudo-psychopathisch gedrag. Externe factoren kunnen bijvoorbeeld kindermishandeling, verwaarlozing, armoede, frontaal syndroom en aangeleerd gedrag zijn. De aandoening kenmerkt zich vooral door emotionele problemen, impulsiviteit en antisociaal gedrag. In tegenstelling tot een psychopaat is een sociopaat in staat tot emotionele gehechtheid en schuldgevoel. Een sociopaat is in staat tot empathie, maar slechts voor een beperkt aantal mensen. . In de kindertijd en jeugd kunnen er zich symptomen van het ontremde type van de reactieve hechtingsstoornis(ICD-10) hebben voorgedaan. 

Een hoogfunctionerende sociopaat of AsPS-lijder is een sociopaat zoals hierboven beschreven is, maar in combinatie met psychopathische trekken zoals welbespraaktheid, hoge verbale intelligentie, oppervlakkige charme en afwezigheid van impulsiviteit, of ze zijn in staat om hun antisociale gedrag duidelijk te verminderen wanneer het hen uitkomt. Een hoogfunctionerende sociopaat is net als de “normale” sociopaat in staat tot emotionele banden en schuldgevoel. Een hoogfunctionerende sociopaat heeft juist door zijn of haar psychopathische eigenschappen een functioneler bestaan en meer controle over impulsen, waardoor er minder problemen zijn in het sociaal en beroepsmatig functioneren. 

In verband met de leesbaarheid verwijs ik naar de narcist als een “hij”. Dit is puur taalkundig gekozen. Het is niet de bedoeling te concluderen dat narcisten altijd mannen zijn en dat slachtoffers van narcisme altijd vrouwen zijn! Er zijn heel wat mannen slachtoffer van een vrouwelijke narcist! Alle slachtoffers van narcisme m/v zijn hier van harte welkom!

 

Copyright ©  Alle rechten zijn voorbehouden aan de maker van deze website: Choosewise.nl.