Afweermechanisme en Hechting

Het is een ieder, maar speciaal voor kinderen, belangrijk een veilige thuishaven te hebben. Een haven, waar je je geborgen en veilig voelt. Zo veilig dat je jezelf kunt zijn, je eigen identiteit kunt ontwikkelen, waar je begeleidt wordt op weg naar volwassenheid toe. 

Afweermechanisme/beschermingsmechanisme

Afweermechanisme wordt ook wel beschermingsmechanisme genoemd. Dit is een techniek of een truc die je geest gebruikt om dingen die teveel angst of verdriet oproepen uit het bewustzijn weg te houden. Ze beschermen jou als het ware tegen heftige emoties. Je wilt hier niet over nadenken of bij stilstaan. Je wilt die pijn niet meemaken of überhaupt doorstaan, laat staan voelen. Maar zij staan ook in verband met het niet kunnen bevredigen van bepaalde behoeften die je hebt. Iedereen gebruikt afweermechanisme om op deze wijze een emotioneel evenwicht te krijgen tussen wensen en verlangens enerzijds en geboden en verboden anderzijds.

Het ich gebruikt afweermechanismen om zichzelf te vrijwaren van 

angstaanjagende gedachten uit het es. Deze werken onbewust en bestaan

 in het gezondste geval uit verplaatsing: wordt een onaanvaardbaar impuls tot uiting gebracht of sublimatie gefrustreerde seksuele energie wordt in een andere creatieve activiteit omgezet.

Deze afweermechanisme worden gehanteerd als bescherming voor je eigen ik, hetzelf. Deze worden gehanteerd bij frustraties of om spanningen en conflicten te verminderen dan wel te vermijden.

Sigmund Freud en zijn dochter, Anna Freud zijn de bedenkers van het afweermechanisme en deze zijn mede door hen, maar ook door anderen verder uitgewerkt.

Er zijn tien bekende afweermechanismen:

  1. Ontkenning van de realiteit ofwel loochening genoemd; Je houdt jezelf of de ander onbewust voor de gek. Dit gebeurt in het algemeen wanneer je geconfronteerd wordt met gevoelens of situaties die moeilijk of niet te verkroppen zijn. De feiten van een gebeurtenis worden dan tegengesproken om zodoende niet met het negatieve gevoel geconfronteerd te worden. Denk hierbij ook aan rouwverwerking. Rouwverwerking kent verschillende vormen en niet alleen bij het overlijden van een dierbare. Je hebt introverte ontkenningen en extraverte ontkenningen. Introverte ontkenningen zijn ontkenningen tegenover jezelf. Je houdt jezelf als het ware voor de gek.   Extraverte ontkenningen zijn ontkenningen tegenover anderen en heeft als zodanig invloed op hen.
  2. Verdringing: Verdringing kan als een van de basisafweermechanisme gezien worden en die bij alle andere afweermechanisme een rol speelt. Bij traumatische ervaringen, zoals mishandeling, een zedenmisdrijf of een andere ernstige gebeurtenis, zijn mensen in staat om een gebeurtenis te verdringen, alsof het nooit bestaan heeft. Ze drukken de herinnering aanvankelijk als het ware weg. Dit kost heel veel energie en vergt ook tijd. Dit wegdrukken kan zover gaan dat men zich deze gebeurtenis ook echt niet meer kan herinneren. Zodra je de gebeurtenis niet meer kunt herinneren omdat je het constant weggedrukt hebt dan heb je de gebeurtenis verdrongen. Dit geldt voor het bewustzijn waar wij bij kunnen, wat wij weten en kunnen herinneren. Echter in het onbewuste weet jouw lichaam en geest dat nog wel. Daar is het wel degelijk aanwezig. Het kan dan door een bepaalde trigger weer naar boven komen. Dat wat je je niet meer wilde herinneren, herinner je je plotseling weer wel. Een gebeurtenis kan ook weer tevoorschijn gehaald worden door bepaalde therapieën. Denk aan hypnose. Het kan ook zo zijn dat je de gebeurtenis wel kan herinneren maar dat je de gevoelens die daarbij horen bent vergeten. Je schakelt deze als het ware uit. Gevoelens van pijn, verdriet of angst. Je wilt deze als het ware niet meer voelen. Wanneer een gebeurtenis telkens weggedrukt wordt en uiteindelijk verdrongen is kan dit gevolgen met zich meebrengen. Welke gevolgen de verdringing met zich mee kan brengen is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de persoonlijke ontplooiing en de omgeving. Het is mogelijk dat op een dag eigenaardigheden in de gedragingen en het handelen van de persoon kunnen optreden zoals: Fouthandelingen, Neurosen, Psychosen, Fixatie, Regressie en Projectie.
  3. Dissociatie: Is een geestesgesteldheid waarin bepaalde gedachten, emoties, waarnemingen of herinneringen buiten het bewustzijn worden geplaatst en tijdelijk niet oproepbaar zijn. Dissociatie betekend letterlijk ontkoppeling of uiteenvallen. Iedereen verliest weleens aandacht voor zijn omgeving als hij ergens geconcentreerd mee bezig is of aan het dagdromen is. In deze is het meer een mechanisme om tot rust te komen. Maar wij kennen ook Polderblindheid: Het meer op de automatische piloot een auto besturen. Je slaat gedeeltes over en je bent plotseling een stuk verder dan je dacht. Een groot gedeelte van de weg heb je onbewust afgelegd. Je schrikt wakker terwijl je al wakker bent. Het kan ook voorkomen bij vermoeidheid of bij psychische spanning. Religieuze trance is ook een bepaalde vorm van dissociatie en komt in vrijwel alle godsdiensten voor. Bijvoorbeeld het schommelen tijdens een gebed, het heen en weer wiegen. Of wat dacht je van Dissociatieve stoornissen, dat een onderdeel kan zijn van een psychische aandoening. Als een persoon in een ernstige bedreigende situatie verkeerd, niet kan vluchten of vechten, dan kan het brein zich tijdelijk onttrekken aan de realiteit. Maar ook Hypnose valt onder dissociatie en komt in twee vormen voor:”shows en bij psychotherapie. Hypnose is het opwekken van een soort trance.
  4. Regressie: Is het terugkeren naar een eerdere fase van de levensontwikkeling. Regressie betekend letterlijk teruggaan. In het Hier en Nu: Herbeleven van eerdere ervaringen die ten grondslag liggen aan huidige problemen en eigenheden. Regressietherapie houdt in: het verleden naar boven halen. Het idee achter deze werkwijze is dat gebeurtenissen die zich vroeger voordeden, nog altijd een invloed op ons huidig gedrag, situaties en problemen kunnen uitoefenen. Door oude ideeën, pijnen, trauma’s en gebeurtenissen terug her te beleven kan je hiermee beter  en anders mee leren omgaan.
  5. Projectie: Van projectie kan sprake zijn wanneer men eigenschappen of emoties van zichzelf tracht te ontkennen, verbergen of verdringen door deze toe te schrijven aan iets of iemand anders. Projectie gebeurt vaak onbewust. Projectie is dan ook een afweermechanisme tegen negatieve emoties. Door projectie hoeven we zaken die wij in onszelf niet graag erkennen, en in onze “schaduwkant” liggen, niet aan te gaan. Het is immers makkelijker om deze aan andere mensen toe te schrijven dan aan onszelf. Projecteren doen wij allemaal:” Zoals de waard is vertrouwd hij zijn gasten, of Wat je zegt ben jezelf, of het ligt niet aan mij maar aan jou”
  6. Rationalisering: Ook wel intellectualisering genoemd. Je zoekt naar een andere verklaring voor een bepaalde gebeurtenis die jou frustreert en die wel goed aanvoelt maar eigenlijk niet klopt. Zoals:”ach het valt toch allemaal wel mee, zo erg is het toch niet”, of het vertellen van een leugentje om bestwil”. Je kunt ook in bepaalde situaties, om je zelfrespect te behouden, andere redenen of verklaringen om de gevoelens van mislukking weg te redeneren. Denk hierbij aan:” dat ik gezakt ben lag aan de examinator, of als je ontslagen bent door te vertellen dat je toch al van plan was om weg te gaan”.
  7. Verplaatsing of verschuiving: Bij verplaatsing komt een ander doel voor het werkelijke doel van een motief in de plaats. Voorbeeld: Een vrouw die lastig wordt gevallen door haar baas op het werk, krijgt ruzie met haar man thuis of na door de baas op het werk beledigd te zijn thuis de hond een schop geven in plaats van die baas, zonder dat die hond daar op dat moment enig aanleiding toe geeft.
  8. Reactievorming, overdekking door het tegendeel, overcompensatie: Riskante verlangens worden onderdrukt door op overdreven wijze tegenovergestelde houdingen en gedragingen tentoon te spreiden. Hij zal bijvoorbeeld niet alleen boze gevoelens jegens iemand ontkennen maar zich tevens met klem uitspreken voor zijn liefde. Wat een doeltreffende manier is om zichzelf, zo niet de anderen te misleiden over de aanwezigheid van een onaanvaardbare impuls. Voorbeeld: een moeder die wil ontkomen aan haar afkeer van een ongewenst kind, overstelpt het kind met bezorgdegenegenheid.
  9. Sublimeren: het omzetten van oerdriften in sociaal of maatschappelijk geaccepteerde vormen. Zo kunnen oerkrachten als angst, seksualiteit en agressie gekanaliseerd worden en omgezet in ambitie voor werk, kunst, wetenschap etc. Als een scholier bijvoorbeeld voor zijn eindexamen zit, gaat dit gepaard met veel stress en spanning. Hij kan nu dit negatieve gevoel omzetten in positieve energie door hard aan de studie te gaan. Iemand die veel onverwerkte woede of agressie heeft, kan dit in goede banen leiden door bijvoorbeeld te gaan sporten. Sublimering wordt gezien als een psychologisch afweermechanisme, omdat het zich overgeven aan oerdriften als bedreigend wordt ervaren voor het sociaal functioneren. Sublimering speelt dus een belangrijke rol in het welzijn en de geestelijke balans.
  10. Identificatie: Identificatie staat voor het vergroten van gevoelens van eigenwaarde door vereenzelviging met een persoon of instelling van aanzien. Zoals: “ een bedeesde man die trots is op de overwinningen van‘zijn’ bokskampioen, alsof hij zelf een agressieve, onbevreesde overwinnaar is, of een moeder die vroeger zangeres wilde zijn maar nooit de top heeft bereikt, haar dochter  an  isschien wel de  op bereiken en de moeder doet er alles aan om dat voor haar dochter mogelijk te maken.

Hechting

Hechting gaat voer de emotionele band die een baby en jong kind aangaat met zijn ouders en verzorgers. De hechting die een kind met de ouder en/of verzorger aangaat, veilig/onveilig, is van groot belang voor de ontwikkeling van het kind. Het kind bouwt op deze wijze zelfvertrouwen op en om te gaan met de de angsten die hij heeft of in zijn leven kan tegenkomen. Maar ook voor de ontwikkeling naar de volwassenheid toe is hechting van groot belang. Hechting heeft namelijk een grote invloed hoe je als volwassenen in het leven staat en heeft invloed op de manier hoe je met relaties omgaat.

 

 

 

De hechtingstheorie, als prototype van een ethologische theorie, belicht het ontstaan, de kwaliteiten en de gevolgen van het hechtingsgedrag van jonge kinderen.

 

 

Ik ga voor het recht om grootgebracht te worden, zonder dat ik kleingehouden wordt.”

Bowlby heeft de verschillende fasen in de hechtingsontwikkeling beschreven:

  1. Een baby van 0-3 maanden hechtm.v. de sociale glimlach en eerste klanken. Tijdens deze vroege periode zijn er ook een aantal reflexen die onderdeel uitmaken van het hechtingsmechanisme bijvoorbeeld grijpreflex, de Moro-reflex (vastklampbeweging), wang – en zuigreflex.
  2. In de periode van 3-6 maanden verdwijnen er een aantal reflexen en de sociale glimlach wordt meer selectief. Tegen een vreemde zullen ze minder vaak lachen.
  3. In de periode 6 maanden tot drie jaar wordt de hechtingsband met de verzorger echt verankerd. Kinderen beginnen te huilen als de verzorger weggaat, dit wordt scheidingsangst genoemd. Tevens ontstaat de angst voor vreemden.
  4. De periode vanaf drie jaar: het kind heeft voldoende ervaringen opgebouwd over scheidingen en terugkomsten. Het kan zich nu inleven in de plannen van de ouder. Het kind kan nu zijn behoeften verwoorden, waardoor de verzorger hierop kan inspelen en de scheidingsangst kan verlichten of vermijden.

Hechting wordt beschouwd als een gepredetermineerde structuur inde vroegkinderlijke ontwikkeling, met een voorbijgaande adaptieve functie voor het kind. Het kind verkrijgt door die hechting bescherming en door een goede kwaliteit van hechting zal het kind ook op een gezonde manier met de omgeving leren omgaan, met vertrouwen in zich-zelf en zijn verzorgers. Ethologen maken gebruik als centraal onderzoeksinstrument vooral gebruik van de observatie. Zo’n observatiemethode is de Vreemde-Situatie-Procedure, uitgewerkt door Mary Ainsworth.  Hier worden kinderen in een voor hen vreemde laboratoriumruimte in opeenvolgende perioden van scheiding met de ouder en kennismaking met een vreemde gebracht. Door deze natuurlijke stress-situatie wordt bij deze kinderen het hechtingsmechanisme opgewekt en worden individuele verschillen in hechtingskwaliteit zichtbaar. Op deze manier kan men veilig gehechte kinderen onderscheiden van onveilig gehechte kinderen. De hechtingstheorie ontstond uit de ervaringen van John Bowlby met weeskinderen. Verschillende onderzoeken hebben kunnen bevestigen dat ouderlijke sensitiviteit een belangrijke factor is. Men ging ook verder denken wat de gevolgen zouden kunnen zijn van onveilige hechtingsbandenop de ontwikkeling van competenties en ook hier bleek een grote consistentie van onderzoeksresultaten te wijzen in de richting van een belangrijke invloed van hechtingsrelaties.

Het blijkt dat veilig gehechte kinderen later een hogere kwaliteit van spelgedrag en symbolisch spel vertonen. Taakoplossingsgedrag met de ouder verloopt ook beter.

Wel worden er kritische vragen gesteld t.a.v. de gehechtheidstheorie:

  1. Zoals bv of onveilig gehechte kinderen gewoon niet een moeilijk temperament hebben of
  2. Dat het intergenerationeel wordt bepaald.

De moderne hechtingstheorie evolueert de laatste jaren sterk in de richting van een uitgesproken transactionele theorie met vooral aandacht voor cruciale periodes in de ontwikkeling, waarin de dynamiek kan worden aangezwengeld en de ontwikkelingslijn een bepaalde richting kan inslaan.

Hechtingstypen

Studente Mary Ainsworvth ontwikkelde de Vreemde situatietest waarmee de hechtingstypen van kinderen bepaald kan worden. Zij kwam tot vier categorieën, die zij vermijdendveiligafwerend en angstig gedesoriënteerd noemde.  De hechtingstypen zijn geen van allen stoornissen, het zijn ideale aanpassingen van het kind aan zijn omgeving en is niet te verwarren met de medisch erkende en in het DSM-IV beschreven actieve hechtingsstoornis. Ook de psychologische koepelterm hechtingsstoornis moet niet verward worden met reactieve hechtingsstoornis.

  1. Vermijdend-onveilig gehechte kinderen: Deze kinderen exploreren heel veel. Bij vertrek of terugkomst van de moeder reageren ze nauwelijks en gaan door met hun spel, wat van matige kwaliteit, oppervlakkig en vluchtig is. Ze negeren of vermijden de moeder. Deze kinderen worden vaak door hun omgeving als zeer (prematuur) zelfstandig gezien. Complimenten zoals “Kijk, wat kan hij toch goed zelf spelen”, worden dan ook wel gegeven. Ondanks de uiterlijke onbewogenheid van deze kinderen blijkt de situatie voor hen ook stressvol te zijn. Dit is te zien aan de fysiologische effecten zoals een verhoogd cortisol-gehalte. De interactiegeschiedenis van deze kinderen is er een van afwijzing en het genegeerd worden door de ouder. Ouders van deze kinderen zijn consequent insensitief, vaak afwijzend, hebben een afkeer voor fysiek contact, zijn zakelijk en snel geïrriteerd door huilen of ander weigerachtig gedrag van kind. De strategie van het kind is dat hij geen beroep meer doet op moeder uit angst voor afwijzing. Het kind heeft zijn gehechtheidsgedrag geminimaliseerd.
  2. Veilig gehechte kinderen: Deze kinderen vertonen een evenwichtige balans tussen exploratie en hechtingsgedrag. Ze exploreren gemakkelijk bij aanwezigheid van de ouder en kunnen angstig reageren bij afwezigheid. Bij terugkomst van de ouder zoekt het kind toenadering, is het weer snel op zijn gemak en hervat hij vanuit zijn veilige basis zijn exploratiegedrag. Ouders van deze kinderen zijn sensitief, coöperatief en toegankelijk. De interactiegeschiedenis is er een van affectieve afstemming van en met de ouder, “feeling felt”.
  3. Onveilig-afwerend (ambivalent) gehechte kinderen: Deze kinderen vertonen veel hechtingsgedrag en weinig exploratie. Ze proberen constant nabij de ouder te zijn en reageren heftig op afwezigheid van de ouder. In de periode dat ze alleen zijn, zullen deze kinderen amper spelen of hun omgeving onderzoeken. Deze kinderen vertonen tweezijdig ambivalent gedrag. Aan de ene kant klampen ze zich vast aan hun moeder, maar aan de andere kant tonen ze hun woede en teleurstelling over het feit dat hun moeder is weggegaan door ook afwerend te reageren. De strategie die deze kinderen ontwikkeld hebben, is het maximaliseren van gehechtheidsgedrag, waarbij de boosheid de functie als straf voor de ouder heeft. De interactiegeschiedenis van deze kinderen is er een waarin de ouders inconsequent sensitief, soms grillig en onvoorspelbaar reageren en vaak onbereikbaar zijn op cruciale momenten.
  4. Onveilig-gedesorganiseerd gehecht: Het lijkt alsof deze kinderen tegenstrijdige verwachtingen hebben over de beschikbaarheid van de opvoeder of bang zijn voor de opvoeder. Zij laten bijvoorbeeld tegenstrijdige gedragingen en emoties zien (bijvoorbeeld eerst huilen, maar opeens beginnen te lachen). Ook kan het zijn dat ze zich abnormaal bewegen, plotseling stilstaan, waarbij het lijkt dat ze zich niet meer kunnen bewegen (bevriezen of verstarren). Soms lijken zij in de war als de ouder terugkomt en toenadering zoekt. Zij slaan de handen voor de ogen of wiegen heen en weer of wenden het hoofd af terwijl zij naar de ouder lopen of kruipen. Het lijkt alsof de komst van de ouder de stress bij het kind eerder verhoogt dan verlaagt. De interactiegeschiedenis van deze kinderen is zeer onvoorspelbaar en incoherent geweest. Denk hierbij aan traumatische ervaringen, zoals mishandeling of aan onverwerkte trauma’s bij de ouder zelf. In de interactie tussen ouder en kind kan een onverwerkt trauma bij de ouder ervoor zorgen dat deze soms wegvalt, “dissociatief”, of dat de ouder het kind ineens laat schrikken.

Hoe ontstaat een hechtingsstoornis?

  • Wanneer de  ouder en /of verzorger  te weinig emotioneel betrokken was bij de baby, te weinig tot geen inlevingsvermogen en empathie toonde.
  • Wanneer te weinig tot geen lichamelijk contact is geweest in de eerste levensjaren. Er is niet veel geknuffeld, dit is van essentieel belang.
  • Wanneer geen normaal intensief contact mogelijk was na de geboorte van het kind.

Verband tussen opvoedingsstijl en hechtingsgedrag bij de kinderen.

Verband tussen opvoedingsstijl en hechtingsgedrag bij de kinderen.
Opvoedingsstijl van de ouders Hechtingsgedrag bij het kind.
Adequate aandacht:

·      Voldoende ondersteuning.

·      Oog voor frustraties en ontreddering.

·      Stabiliteit.

·      Warmte.

Veilig gehechte kinderen

·      Troost en steun zoeken.

·      Exploreren.

Onbereikbare ouders:

·      Opdringerig en tegenstrijdig.

·      Eerder te veel stimulatie/verwachtingen.

·      Controlerend/invasief.

Vermijdend-onveilig gehechte kinderen:

·      Geen troost zoeken/geen steun zoeken.

·      Makkelijk kind.

·      Niet geraakt/onderkoeld

·      Doorgaan met exploreren.

·      Naar buiten gericht.

Onberekenbare ouders:

·      Wisselend beschikbaar.

·      Weinig responsief.

·      Weinig betrokkenheid.

·      Weinig stimulatie/Weinig steun.

·      Weinig sensitief.

Onveilig-afwerend (ambivalent) gehechte kinderen:

·      Grote ontregeling bij stress.

·      Vastklampen en boos.

·      Moeilijk te troosten.

·      Weinig exploreren.

 

Onsamenhangende ouders:

·      Tegenstrijdige stimulatie.

·      Onvoorspelbaar gedrag.

·      Angstaanjagend en bizar gedrag.

·      Geen veiligheid.

Onveilig-gedesorganiseerd gehecht: 

·      Chaotische hechting.

·      Wisselende reacties op scheiding

Hechtingsbouwstenen

Reactieve hechtingsstoornis

Hechtingsstoornissen in het algemeen worden zo genoemd (RHS). De gevolgen van een hechtingsstoornis worden zichtbaar voor het vijfde jaar. Adoptiekinderen kunnen maar moeilijk gedijen bij hun nieuwe ouders, ten gevolge hiervan. Kinderen met een reactieve hechtingsstoornis missen aan voldoende sociale vaardigheden en hechten, ook op latere leeftijd, oppervlakkig. De periode tussen de 14 maanden en 18 maanden hebben grote gevolgen voor het hechtingsproces, wanneer er in deze periode grote veranderingen tussen ouder/verzorger en jong kind zijn.

Onveilige hechting, de symptomen

  • Kind vertoont claimgedrag t.o.v. de ouder/verzorger
  • Vraagt op een ongewenste manier aandacht
  • Kan zich niet goed concentreren, leerproblemen
  • Vertoont impulsief, agressief of passief gedrag
  • Communiceert onzinnig
  • Kan niet goed met leeftijdsgenoten overweg
  • Qua eetgedrag: schrokken
  • Gewetensontwikkeling laat te wensen over, soms: gemeen met dieren omgaan
  • Geen affectie kunnen geven en ontvangen
  • Liegen

Bij minimaal 5 van bovenstaande kenmerken is de kans op een onveilige hechting groot.

Risicofactoren voor een onveilige hechting:

  • Geen regelmaat en structuur binnen het gezin.
  • Elke vorm van kindermishandeling!
  • Financiële problemen binnen het gezin.
  • Als ouder zijnde niet sensitief reageren op de behoeften en signalen van je kind.
  • Veel wisselende opvoeders.
  • Opvoedingsonzekerheid van de ouder in eigen kunnen.
  • Vroeggeboorte van je kind.
  • Verstandelijke of lichamelijke beperkingen van het kind.
  • Psychische of psychiatrische problemen van een van de  ouder of van beiden. Denk hierbij ook aan een persoonlijkheidsstoornis.
  • Een slechte gehechtheidsgeschiedenis van de ouder zelf met zijn eigen ouders. (De vorm van gehechtheid  wordt vaak door  gegeven aan de nieuwe generatie, dit is is 75% van de gevallen zo. Onderzoek  Dr. Van Ijzendoorn 2005).
  • Verslavingsproblematiek van de ouder. 

Voor het ontstaan van een veilige gehechtheidsrelatie kunnen we drie basale ‘basisvoorwaarden’ benoemen:

  1. Sensitief reageren op het kind:  Ten eerste, het is belangrijk dat de ouder sensitief en voorspelbaar reageert op signalen van het jonge kind (Ainsworth, Blehar, Waters, & Wall, 1978; de Wolff & van IJzendoorn, 1997). Dat wil zeggen: de ouder staat open voor de signalen van het kind, begrijpt die signalen goed en kan daarop snel en adequaat reageren. Zo leert het kind dat zijn ouder beschikbaar is als veilige uitvalsbasis én als veilige haven. Ouders bieden een veilige uitvalsbasis doordat ze het zelfvertrouwen van hun kind stimuleren met complimentjes, door samen plezier te maken, maar ook door structuur te bieden en grenzen te stellen, afgestemd op de leeftijd van het kind. De ouder is een veilige haven wanneer hij het kind troost bij verdriet, geruststelt bij angst of helpt bij woede of andere emoties. Sensitief en voorspelbaar reageren is iets wat de meeste volwassenen intuïtief doen, maar dit gedrag kan ook etraind worden. Dat gebeurt met behulp van een interventieprogramma waarbij ouders bijvoorbeeld feedback krijgen op hun eigen gedrag (Juffer, Bakermans-Kranenburg, & van IJzendoorn, 2008; zie verder hoofdstuk 5, (‘Preventie en interventies’). Om sensitief en voorspelbaar te kunnen reageren, moet de ouder betrokken zijn bij het kind. Anders ziet hij de signalen van het kind niet. Ook moet de ouder het kind goed kennen en observeren om de signalen van het kind correct te kunnen interpreteren. Sensitief reageren wil overigens niet zeggen dat het kind altijd zijn zin moet krijgen of dat de zaken altijd gaan zoals het kind dat wil (zie werkkaart 2, ‘Hoe bouw je een veilige gehechtheidsrelatie op met een jeugdige?’, voor een uitgebreide beschrijving). Vaak zal het nodig zijn om een compromis te zoeken, of moet de ouder tegen de wensen of verlangens van het kind ingaan. Maar ook dat kan op een sensitieve en invoelende manier. Als je uitlegt waarom je iets doet, en laat zien dat je de gevoelens van het kind serieus neemt, is dat ook sensitief reageren.
  2. Continuïteit in de aanwezigheid van de gehechtheidspersoon: Een tweede voorwaarde om een veilige gehechtheidsrelatie te kunnen opbouwen is continuïteit in de aanwezigheid van de gehechtheidspersoon. Het aantal volwassenen dat voor het kind zorgt, is liefst niet te groot en wisselt niet te vaak. Geschat wordt dat het maximum aantal volwassenen aan wie kinderen zich kunnen hechten ongeveer zes is (van IJzendoorn, 2008).
  3. En het mentaliseren door de ouder:In de derde plaats blijkt uit recent onderzoek dat ‘mentaliseren’ door de ouder van groot belang is voor het ontstaan van een veilige gehechtheidsrelatie. Mentaliseren houdt in dat de ouder gevoelens en gedachten van de baby ziet en (h)erkent, en daar in zijn gedrag rekening mee houdt. De ouder benoemt wat de baby doet, denkt of voelt. Wanneer de baby bijvoorbeeld huilt, verwoordt de ouder de ouder de gevoelens van de baby, bijvoorbeeld: ’Je voelt je niet fijn, je bent erg moe’. Een ouder die mentaliseert verplaatst zich duidelijk in het perspectief van de baby, en verwoordt dat ook. Zo helpt de ouder het kind een veilige gehechtheidsrelatie te ontwikkelen

Wat is het belang van gehechtheid

Volgens John Bowlby (1907-1990), een Engelse psychiater,  die al vroeg getroffen werd door de vaak ernstige gevolgen van een vroege scheiding en verlies van de moeder.
Toen hij korte tijd werkte op een school voor sociaal-emotioneel onaangepaste kinderen, ontdekte hij hoe groot de schadelijke gevolgen kunnen zijn voor kinderen als zij hun moeder moeten missen. In 1944 verscheen er een studie van zijn hand naar de achtergronden van jeugdcriminaliteit. Het leek alsof deze onaangepaste kinderen geen schuldgevoelens of medeleven kenden. Wat Bowlby verder opviel was dat deze ‘gevoelloze’ jongeren allemaal scheidingservaringen hadden meegemaakt in de eerste drie jaren van hun leven. Bowlby kwam tot de conclusie, niet alleen door deze ervaring, dat het ontbreken van een gehechtheidsrelatie tot een gevoelloos karakter heeft geleid. De kinderen hadden alle vertrouwen in anderen verloren. Het vermogen om relaties op te bouwen was eveneens verstoord.

Veiligheid

Bowlby stelt daarom ook, dat veiligheid de basis is voor de verdere ontwikkeling van het kind. Gehechtheid, in het Engels ‘attachment’, wordt door Bowlby gedefinieerd als: een duurzame affectieve band die het jonge kind in het eerste levensjaar met de primaire verzorger opbouwt. Bowlby veronderstelt dat de kwaliteit van de gehechtheidsrelatie sterk wordt beïnvloed door de kwaliteit van de verzorging van het kind door de volwassene. Bowlby noemt dan met name de moeder. Volgens Bowlby heeft de pasgeboren baby nog geen voorkeur voor bepaalde personen, maar in de loop van het eerste jaar wordt de baby steeds kieskeuriger. Zo rond de leeftijd van een jaar zullen de meeste kinderen zich alleen maar door de vertrouwde opvoeder laten troosten en blijven ze ook het liefst daar bij in de buurt. Dit is de fase van de eigenlijke gehechtheid. Hij gebruikt dan een aantal natuurlijke gedragingen om dat contact te bewerkstelligen: naar de opvoeder toe kruipen, huilen, glimlachen, vastklampen. Na een tijdje weet de peuter dat de opvoeder eigen plannen heeft, en hij beseft dat de opvoeder er ook nog is ook als die uit het zicht verdwenen is. Dit gebeurt zo rond het derde jaar. Dat houdt in, dat voor de peuter de opvoeder niet meer per se lichamelijk aanwezig moet zijn. Als hij maar het gevoel heeft dat de opvoeder beschikbaar is.

Ontwikkeling van gehechtheid


De gehechtheid ontwikkelt zich in een vaste volgorde, die in verschillende culturen gelijk is, maar de snelheid van gehechtheidsontwikkeling verschilt. In culturen waar de moeder voortdurend in contact is met het kind vertonen baby’s eerder gehechtheid dan in culturen waar baby’s ook met andere verzorgers te maken hebben. In het begin bestaat er scheidingsangst, de reactie van de baby op het tijdelijk vertrek van de moeder. In dezelfde periode treedt ook angst voor vreemden op. In de periode waarin scheidingsangst optreedt, laten baby’s ook een begroetingsreactie zien: motorische activiteiten als armen uitstrekken en rappelen, lachen, kraaien van blijdschap. In de tweede helft van het eerste levensjaar laten baby’s duidelijk gehecht gedrag zien. Twee opvallende gedragingen daarbij zijn: nabijheid zoeken tot de verzorger en de drang om te exploreren. Baby’s laten meer exploratiedrang zien als de verzorger in de buurt is. Spelende baby’s letten er dan ook voortdurend op waar hun verzorger blijft. Eenmaal gerustgesteld exploreren ze weer verder. Inspelen op de balans tussen exploratiedrang en nabijheid zoeken van het kind resulteert in wat Bowlby noemt: veilige gehechtheid, en wat Erikson omschrijft als ‘basic trust’.

Massage om hechting alsnog tot stand te brengen

Oxytocine (hormoon) wordt aangemaakt in de hersenen. Wanneer de moeder borstvoeding geeft zorgt oxytocine ervoor dat moedermelk wordt aangemaakt. Massage van het kind zorgt ervoor dat het oxytocineniveau toeneemt waardoor er bij het kind het gevoel van emotionele bonding ontstaat. Zo kan een hechtingsproces alsnog gebeuren. Het is een proces dat veel tijd in beslag kan gaan nemen, over een langere periode.

 

Bron: richtlijn problematisch gehechtheid pagina 17/18.

Copyright ©  Alle rechten zijn voorbehouden aan de maker van deze website: Choosewise.nl.